Terwijl mijn vrouw naakt loopt door het huis en het maakt me niet uit, stond net voor de spiegel en zag dat wat overwas van de abstraktie en dat was wijnig, eigenlijk schaamtevol, daar bungelde iets daar onder, het was van mij, ooit heel stoer, zelfs een moker kon er niets aan veranderen, du was het slap, een beetje lelijk, verwrongen, bungelend en de rest er om heen ook niet echt om van naar huis te schrijven, zo alles om me heen verrandert, maar dat word mooier, de geuren en geluiden, als of het een vaarwel word naar wat eens om slingert zou moeten worden, zo als een aap in de boom en Mies er naast en al die andere rare gedachtens, geen wonder dat ik in de goot belande en met mij vele, zo lagen we daar zamen, zo als het zaam in de schoot van een vrouw, terwijl het niet uitmaakt welke, belangrijk was, het verwerken, van het niet verwerken, die onmacht, die macht die ons slaaf maakt, wil laten geloven, dat zonder dat er niets bestaat, terwijl er eens niets was en dat klopt op mijn reis naar mars was er niets en toch kon ik gaan, ik hoefde zelfs niet een kaartje tekopen, of me in teschrijven of zo en als ik dan ging, dan was dit niets, gelukkig met mij, dan was het of ik vleugels kreeg, terwijl mijn vrouw naakt door die ruimte rende en wilde dat ik haar pakte, maar dat deed ik niet, ik dacht zoek het maar uit, haar dikke billen, wie heeft daar trek in? ja ik weet genoeg mensen die nog even moeten, maar dat was als ik weg was naar mars, dan doe ik net of niets bestaat, zelfs ik zelf niet en dat is makkelijk, tussen mars en mij is het maar even, knip van een vinger en die zelfde vinger gaat, dit schrijven, een beetje verwijzend naar, wat ooit was, mischien mocht wezen of zijn, soms zeker niet of helemaal niet waar, uit de duim gezogen, zo als de hele geschiedenis is, verhalen, ooit op papier gezet, perkament nu plastiek, of platina in de ruimte, wat ik twintigjaar geleden voorbij zag komen en dacht, wie kan dat nu lezen?, maar sommigen mensen denken daar anders over en wie ben ik! ik ben verkeert terecht gekomen en later toch goed, wat is goed, ik weet het niet, wat ik weet is dat mijn broek aan mijn kont zit en het overhemt hagel wit en de rest daar onder niets meer voorstelt, zelfs niet met een naakte vrouw door het huis, mijn gedachten hadden nog wel sterke verhalen, beetje opscheppen en zo, maar dan denk ik meer aan eten, of een glas wijn, terwijl die tiet naar me kijkt, zo van moet jij nog wat, dan heb ik, had dat eerder gedaan, had me eerder melk gegeven, zodat mijn buik gevuld was, vol blijdschap en het zalige gevoel waar ik alleen maar van kan dromen, terwijl het niet bestond, dus hoe kan ik het weten, jagen naar een schim van liefde? wat doe ik hier eigenlijk is mijn grote vraag? geen tiet geen melk, geen liefde, veels te laat en daar moet nog iets uit komen, stopte me maar terug in die scheur waar ik geboren werd.
Nee, Nee
Terwijl kunst ook maar iets is, waar zo veel kijk en comentaar op gegeven kan worden, waar boeken vol van zijn, zo als de schilderijen en nog veel meer, zo meer dat de zee er in ten onder gaat en ik ook, terwijl ik daar op de zee bodem ben, tussen boerenkolen en ik een rijste pikker, dat valt op, vooral de kleur, terwijl de poep door het zelfde gat gaat en ook uit komt in de plee en het zelfde wc papier afgeveegt word, al dacht ik altijd tegen de besparing, steek je vinger er door en dan veeg je je vinger schoon, dat scheelt papier, en je hebt wat aan je vinger teruiken naderhand, terwijl je je neus leeg pullikt, of af veegt aan je korte broek, want je was jong, nog on bedorven, terwijl de rot al toe geslagen was, vrat aan je jonge lichaam, slechts de maden ontbraken, die kwamen later, net zo als de vliegen die daar uit ontstonden, en cirkels tekende in de gerookte lucht, die je uit ademde, terwijl de kuch nog moest komen en alle ellende van dien, waar je niet om vroeg, gewoon kreeg als een geschenk, waar je blij om mog wezen, omarmde als of het it laaste was wat je lief mocht hebben, wat je kooste, je wurgde, tot je nek,groen aan liep en dit laaste klopt niet, maar wat maakt het alle maal uit, niks maakt uit, uit ging de liefde, uit ging de kaars en het licht, licht uit mijn gedachten, mijn verleden, niet jullie waar ik deelde, van het wijnige wat ik had, het vele wat ik wou geven, kortebroek een tekort hemd, mijn hart was veels tegroot voor dat hongerige lichaam, ooit aan gespoelt in een zee van ellende, in een zee van leed, terwijl mijn eiland eindelijk aan gekomen, kil was, andere gedachten, andere geesten, ik wou buigen en boog, ik had geen pijlen en als ik ze wel had, zou ik ze breken, op dat mijn liefde voor jullie om me heen zou blijven, opdat ik de warmte mocht voelen die mij ontbrak, ik zou mijn hooft het liefst tegen jullie aan gelecht hebben, was het niet, dat jullie me verstoten, als of ik een vuilnis belt was, zo anders en zie me nog in die bus, terwijl de condens druppels naar beneden glijden en ik ook, die damp die naar buiten kwam als je uitstapte, als of de duivel ontsnapte met je, als of de rode gloed om me heen huisde, dat korte stuk naar school waar ik langs de huizen kroop en blij was dat het schoolhek in zicht kwam, ik ben er bijna, terwijl daar binnen mij de hoek wachte, als een slaaf keek ik uit naar het on ontkoombaren, straf, straf, geuren, dampen, slaap, niet kunnen volgen en niet begrijpen de taal, hoe je die schrijft en de gedachten, mijn gedachten waren anders en daar ben ik voor gestraft, die kachel brand nog in mijn neus en die inktpot laat nog steeds die sporenachter rond mijn lippen en die bank heb ik in gewisselt voor een bankstel of steen, misschien zand en het bed? dat maakt niet uit, ik leg mijn hoofd neer, soms een beetje moeilijk, het liefst in de armen van iemand die warm is en ik die warmte mee kan nemen in mijn dromen.
Schrille kreet
Terwijl al die kamer leeg waren onbewoond, daar in mijn hoofd, terwijl de gedachte wel goed was, maar het niet zo mocht wezen, zo als met mij vele wezen en daar wezen van, allee, en gelukkig later niet, dan luister ik graag naar muziek, tewijl ik over straat loop, klinken de klanken nog door, galmen door al die lege ruimtes, draaien daar een rontje of die, vier soms veel langer, soms zo lang dat ze niet meer willen vertrekken, als of ze een deel van me willen worden en dat mag, beter als vliegen op je arm of been, dat is lastig, soms heel vervelend, tot dat ik de vliegenmepper pak en pats, dan is het feest afgelopen, uit, daarna zijn die kamer weer stil en onherbergzaam, zo als ik zelf, mijn hooft heeft iets weg van een geitenkaas, eerst dacht ik dat die gaten kwamen door een boor, maar dat is niet zo, gist, zo als gist in mijn geest, zo als ik ooit bakker wilde worden, niet voor me zelf, maar voor een vriend, die na een jaar afhaakte en omdat ik van natuur volhoudend ben, bleef ik daar, zo als ik overal bleef terwijl ik allang weg wilde gaan, de jas van de kapstok grijpen en weg wezen, maar als je geen held op zokken bent, wat doe je dan, je blijft zitten, als of velpon aan je kont zit, die houtebank, met een paar lagen lak, stinken naar andere konten of zweet, zelfs poep of pis of scheet, nog net geen schaamhaar, terwijl de schaamte er wel is, zo schaam vol dat mijn wangen nog kleuren, diep rood of soms iets minder als het allemaal wel me valt en onder tussen klinken de geluiden van de gitaar door in mijn oren en ik moet huppelen, dansen, bewegen en geeft me het gevoel dat de wereld oke is en dat is die niet en zeker als je geen geld hebt, dan is een kartonnedoos genoeg en in de winter een opvanghuis, kinderhuis, wat maakt het verschil?slechts een dunne wand van karton of dunne schil van ellende, aardappel, peer, misschien als je geluk had meloen, scheutje slagroom? doe mij maar een glaasje wijn en dat vernijn mogen jullie houden van me, in eens laat die velpon los, goed stukjes vel blijven achter op die gelaktebank, ik maak me los in een soort wild verzet, sla om me heenen ik word alweer op gesloten, als of ik beland in mijn eigen kamers, dus toch een huurder gevonden, terwijl dit tegen de regels is van het weg gaan, dat is een overtreding, die normaal gelijk afgestraft word, zo van kom jij maar weer terug en alles om je heen, gaat in een snel tempo achterwaard, ook je gedachten en beelden achterwaards, daar word je gek van, nog erger je moet weer daar heen, waar je juist om weg ging, daarom laat mij liever luisteren naar die man in blote borst, die zijn vingers vliegensvlug over de snaren laat glijden en me even het gevoel geeft dat alles nooit geweest is, nooit heeft bestaan, zo min als ik.
Pit van een pit of anders om
En zo kwam ik met twee benen op de grond, het was even door de knieen gaan, want het gaf een klap! na vijfentwintig jaar en nu bedenk ik dat het een derde van mijn leven is, nooit bij stil gestaan, ik heb zo lang stil gestaan, dat ik kraak, bij elke beweging ik lijk meer op een robot, ik wankel ook een beetje, van die schuchtere bewegingen een beetje gansachtig, daar moeten mensen om lachen, ik niet, ik vind het vervelend, weten mensen waar je door heen gegaan bent? ja achteraf zeggen ze dat had ik ook gekunt, nou wat let je, ik hou je niet tegen, wat ik geef je een zetje, ga maar, ik heb het allemaal gezien en beleeft en was het maar nooit gebeurt was het maar nooit nodig geweest, was ik maar nooit geboren had ik maar nooit bestaan, dan had ik niets om me voor hoeven teschamen, zo als ik me ooit schaamde voor slavernij, handel en afslachten van mensen, kannonnenvoer, winst bejacht en de paradox van het leven, de zelfde paradox als in mijn hoofd als in mijn schrijven, woorden en zoek nog steeds naar woorden die het paradox tegen kunnen spreken en dan ben ik weer gevangen, zo als ik nu als een robot loop, was ik maar een eend dan kon ik weg vliegen, ik zou de tijdklok onder weg onklaar maken zodat ik niet elk voorjaar of najaar weg moet, ik zou me zelf bevrijden en met mij al die anderen en de wereld werd anders, die mist trok op, die eidele hoop ook en ik stort ter aarde neer mijn vleugels verbranden en mijn kont ook, die is zwart en rookt nog na, heb nog massel dat ik leef, is dat waar? mijn verbrande kont kun je ruiken, mensen om me heen knijpen de neus dicht en kijken me aan? als of ik iets aan heb van hun! snap je wat een raar gezicht? ik snap niets meer, maar waarschijnlijk is dat de bedoeling, van weet ik wie, ik zou die tijd klok onklaar maken, saboteren, kapotslaan, vermosselen, zo als ik vermosselt ben, eigenlijk ben ik plat geworden, zo plat dat ik tussen een spleet door kan en exray ook overboort, dit is goed voor me zelf, want die stralen zijn niet goed, al hebben ze die op mars in overvloed, soms was ik me daarin, een beetje onder de oksels, een spetter hier en daar of gooi water naar een ander als die er is anders laat ik dat natuurlijk, ben niet helemaal gek en dit laaste moet ik me zelf ook in praten om het te mogen geloven, dat het niet zo is, wat? wat is wat, ik draaf weer door daar kan ik ook niets voor, was ik maar een paard, want die hebben recht om tedraven, soms springen ze zelfs in de lucht, samen met mij, maar meestal kijken ze nog niet op naar me en laten me links liggen, vervelende paarden, kan ik er wat aan dien, vijfentwintig jaar is niet niets, moet je aan een klein kind vertellen over vijf en twintig jaar, die zal je aan kijken en zeggen geef mij maar een boterham, en gelijk heeft dat kind.
Boerenkool
En toen kwam de dag dat ik weg moest, ik moest me laten drijven, mijn geest en ik er was geen strohalm, die ons nog tegen kon houden, de zijlen werden gehesen en voor ik het wist kwam ik in niemands land en daar is het kil, je kunt het vergelijken met mijn mist wereld, alleen nog killer, nog beangstiger, ik kon schreeuwen tot ik schor werd, de eggo, weerkaaste tegen de voorgaande schreeuw en ik schreeuwde mijn longen er uit, zodat ik die oppakte en weer terug in mijn mond deed, zo erg schreeuwde ik van verlorenheid, ook al begreep mijn brijn dat het onontkoombaar was, voor iemand die zo aan flarden gescheeurt was, die zo krampachtig, heeft lopen zoeken naar????en als je alles wil weten waarom?en zo ging dat jaarin jaar uit, mijn baard groeide, want toen ik vertrok had ik niets mee genomen en volgens mij stonk ik uren in de wind, want daar was geen water! hoe heb ik dat al die jaren vol gehouden? mijn huid werd taaier, je zou kunnen zeggen dat ik er langzaam aan een olifantenhuid kreeg, waar de schilvers afvielen als ik me krabben moest, gelukkig waren daar geen vliegen, ook geen muggen gelukkig, mijn verstand was aan de haal en ik daar achter, verloren in het niets, die silte maakte me bang en ook niet alles was dubbel, mijn gedachten, als ik keek alles was dubbel, zo dubbel dat ik begon tehuilen en dat hield niet op en die tranen vulde de dop waar in ik dreef en kon me wassen, ik kreeg witten vlekken van het zout uit mijn tranen, omdat er toch niemand was, maakte me dat niet uit, dat was wel fijn, je hoefde je voor niemand teschamen, want wie schaamt zich nou?ik was, ik ben en dit laaste vroeg ik me dan af, wat was de volgorde? wat kwam eerst de kip, het ei, ik raakte verstrikt, mijn overgebleven leege brein, werd verstrikt door een web, geen spinnenweb, want spinnen waren daar niet, in mijn hoofd was een web van denken en in dat web zaten allemaal kamers, dus zat ik teoverwegen omdeze tegaan verhuren, aan wie? ik was alleen dus heb ik dat plan maar weg gegooit en hoor het nog vallen, maar heb het neer komen niet gehoort en al die jaren hoorde ik alleen mij zelf, soms ging ik in die kamers kijken een beetje onwennig natuurlijk, want als je in het niets bent, kun je van alles verwachten, mijn ogen werden steeds groter, zo groot dat ik in een oog opslag, door zo,n kamer kon kijken, dus ik hoefde niet naar binnen tegaan, dat scheelde wel heel veel lopen, mijn schoenen waren op, de tenen staken er door, soms bewoog ik ze, want je moet toch wel iets doen in het niets, soms stak ik een teen in mijn mond en beet de nagel kort, want ijdel blijf je, ook daar, of dan ging ik ze tellen, ja je weet maar nooit, je kunt van alles verwachten, ondanks dat er niets teverwachten valt, je weet maar nooit in het land van waanzin, kan alles en niets, zo botste ik soms van binnen, waarom weet ik ook niet en na vijfentwintig jaar kwam ik terug en dat was raar, alles was zo anders als toen ik weg gin, ik kende niemand meer en niemand kende mij, ja uit verhalen kende ze me wel, hadden ze wel een gehoord en hoorde je ooh ben jij die, heel anders als we je voor gesteld hadden en ik keek naar me zelf, ik was veranderd, zelfs na dat bad wat ik genomen had bij aankomst, ik voelde me verlaten dat kan ik U wel zeggen.
Borstnippel of twee
Asl ik vieze dingen vertel vinden jullie dat leuk, dat kan ik zien, probeer het wel zo netjes mogenlijk tehouden, want anders zouden mensen me op straat aan kijken, van daar heb je hem de viespeuk, dit dachten ze alveel langer van me, maar kon toen altijd mijn hoofd afwenden en net doen als ik het niet was, dat mensen gewoon naar iemand anders keken, nu dat je meer herkenbaar word, door aldat grijze haar en een verlopen kop, val je al snel op tussen al die jonge mensen om je heen, die kijken ook al wat moet hij hier, word het nog geen tijd voor het bejaardehuis waar we je leeg kunnen plukken, nou die lol kan ik ze ontnemen, ik ben al een kaal geplukte haan, als het waren kijk je tegen mijn kippenvel aan een beetje rose van kleur, met die gekke zwarte plekken waar ooit veren waren, op sommigeplaatsen is het rood, dat zijn de plekken waar ze het hards getrokken hebben aan me en dat is dus bijna overal, dus echt ik zie er niet uit, dat was vroeger anders, toen was ik gewild en werd ook uit gekleed, dus het maakt eigenlijk niet uit, kip of kale kip, gebraden kip of slechts een pootje op de BQ en dan die pieren die binnenkomen zonder te kloppen, van die gedachte alleen krijg je zo,n gekke huid, natuurlijk heb ik zalf geprobeerd, zelfs overwogen, me te vermommen , vandaar dat ik onder dat grasveld dook, dat klinkt raar, dat weet ik, toch raad ik het iedereen aan dat eens perweek te doen, oke het kost wat moeite en je word vies, das beter als in zo,n hal ze de pestpokken tezweten en je ruikt gelijk aards, dan moet je me natuurlijk wel goed na doen, na een meter of tien gaan we dieper, als niet voor die tijd een wet bedacht gaat worden en de bedenker staat op je kop, op die grasmat en je neus zit in de aarde, gelukkig zo als met alle wetten, zijn ze even en dan komt er een nieuwe, dat duurt even,, dus het geeft je de kans door tegaan waar we gebleven waren, nu graaf je met je vingers en we gaan gewoon even op bezoek, in China, vergeet niet dat daar, zoms of vaak geen grasvelden zijn dus daar moet je dan maar gewoon uitkruipen en als je terug wilt, even markeren waar het was. Dus al met al, nog aarde in mijn grijze haar dos kom ik thuis, lekker ontspannen, dat is toch beter als je afbeulen op zo,n home trainer.
Rotzooi
Ik kon toch niet slapen, net zo min als mijn vriend vanmiddag, terwijl het hoogste tijd is, gedachten spoken door mijn hoofd, dat hooft heeft een hoop door testaan, het lijkt meer op een flipperkast, pong,pong gaan de gedachten en zo als een oude vriendin vertelde, wat ben je toch een geluksvogel dat zo veel vrouwen hebt mogen verwennen in je leven, nou ik ben er nog kapot van, wat ben ik blij dat dat achter de rug is, alleen die rust is nog niet gekomen, wat je wel zou mogen verwachten en nu moet ik denken dat een tante, geen echte me ooit een boek stuurde, heb geen angst voor de angst, op zijn duits en heb dat boek verslonden, ik geloof dat het het boek was om je gerust testellen, nu het tegenovergestelde gebeurde, naarmate ik verder las, hoe onrustiger ik werd, ik kreeg allemaal spookbeelden en maar roepen tegen me zelf, heb geen angst, ik had meer angst voor me zelf dan de mensen om me heen en dat waren geen lekkere jongens of mannen, dat waren best wel enge mensen en toch kon ik met ze praten en speelde schaak, van een leerde mooi houtsnij werk maken, want in het gevang ben je gelijk, wat je ook gedaan mocht hebben, wat je gemeen had was je straf, die je uit moest zitten, deze tijd heb ik goed benut om tekijken naar me zelf, met waar ik mee bezig was en zo na vier jaren, kwam ik wat mager geworden vrij, met een aan gemeten soort maatpak, van hoe ik alles zag en dacht en dan sta je daar aan de grens en het is of je van Mars komt, gevoelsmatig begreep je de theorie van Einstein, je kon schaken, dammen etc, maar de wereld om je heen was anders en zo heb ik jaren nodig gehad, weer af teglijden en toen langzaam weer opklom, misschien omdat ik toen rijper werd, veel meer denk ik, dat ik mijn wens, een beter mens teworden niet vergeten ben, door stormen, van drank en rook, rokken en onderbroeken of niet, kroegen, bars, bars geworde stemmingen en dan op een krib aan die Waal, of verloren rond lopen in de Ooipolder, dan naar veemarkten en niet voor het vee, al kocht ik wel een gijtje en gaf die weg, aan wie dat weet ik niet meer en die gijt is er vast ook niet meer, net zomin als veel van die vrienden van toen, dus al met al kun je zeggen, dat ik geluk gehad heb, ten eerst dat mijn niet echte tante me een boek gaf, verder dat ik vrij gekomen ben, want sommigen zitten daar nog en ten derde dat ik het nu schrijven kan, dus is er altijd wel iets positief aan het leven, wat je eigenlijk niet gegund is geweest in de begin jaren en natuurlijk had ik geluk met mijn neus tussen die twee tieten tebelanden, waar de geur van opium parfum uit opsteeg, ook al moest ik met haar door het bedzakken door het over gewicht en kan ook stellen, dat ik daardoor iets geleerd heb, terwijl ik dit schrijf stijgt mijn hoofd weer in de wolken en denk ik aan andere dingen, dan denk ik aan mensen die lekker liggen teslapen en zij die dat niet doen, omdat die in een anderetijd leven, daar waar de zon opkomt, terwijl het hier donker is, mensen die opstaan omdat de dagenraad er is of zij die de nacht dienst draaien waar je zo dronken van thuis komt net als een kip die met het licht aan in zijn hok heeft gezeten, dat zie je ook gelijk aan zo,n kip, dat zie je op een afstand, beetje van die wallen onder zijn ogen en dan toch dapper proberen tekijken, jammer dat die kip geen luciferhoutjes heeft, terwijl ik dan onder de grasmat door kruip en me afvraag wat ik daar eigenlijk doe?
Wat dacht je van de punt van het potlood?
Wat dacht je van de punt van het potlood?
Buiten is het warm, zo warm dat ik de schaduw op zoek, zame, met mijn hond en poezen, vliegen, dode bladeren, een glas wijn, zelf de vogels kun je niet horen en bovenmaat van ramp begeeft de pomp het, zo dat de grond sidderd onder de zonne stralen, ik snap het de natuur wil alles goed maken ook al verbergt ze de gapende wonden aan gebracht rond om de rivier, met moeite kan ik de tuin bij houden, gras sprinkt net zo snel als de kippen in het hok en dat zijn er dertig, als je dat bij elkaar optelt en vermenigt vuldigt met duizend en dan nog een emmer of twee graankorrels dan heb je een hele hoop, zo ook het gras en al dat onkruid, wat weer mooie kleuren geeft tussen dat groen en als ik door dat glas wijn kijk, een oog dicht geknepen, dan denk ik niet doen, drink en geniet, ik krijg bezoek, na een kwartier zegt Thoma ik krijg slaap en snap hem, het geluid van het water, van die beek die eens was als een reuze orkaan, is nu vredig en roept om slaap, maar misschien is het de rust die mijn vriend maand tegaan dutten, zo als vele voor mij, want geven we ons wel de tijd? om bij tekomen van dat leven, ik zelf heb daar ook last van, die onrust, die gedrevenheid, terwijl je gewoon een kussen in je nek moet stoppen en doen of het allemaal goed is en dan weg dommelen, de wereld draait toch wel door, ook al heb ik soms die gedachten dat ik er iets aan veranderen kon, die ijdelen hoop, zo als ik ook mij zelf zou willen veranderen, in een tulp of zo, vooral niet telang, maar evenn, even iets anders zijn, misschien wel even in de huid van mijn hond kruipen, de vlooien weg krabben en sluimen met mijn baas, of lekker blaffen tegen mensen die ik niet ken, terwijl ze langs lopen en ik dan heb, wat moet je daar, kun je niet ergens heen, wat valt er tezien, mensen die sporten, doe dat thuis, of pissen, rotzooi neer gooien, zo dat ik de volgende dag de boel op kan ruimen, die de hond laten schijten, terwijl ze hier niet wonen, kijk dat wilde beesten dit doen? dat geeft niet, lijkt me lekker, je loopt daar een beetje rond, schijt waar je wilt, wand je bent wild, je heb niet geleerd te poepen op een hoop of wc, nog veel mooier je hoeft je billen niet eens af tevegen en geen wc door tetrekken, ook niet de bril om hoog tedoen of naar beneden, je rug krabben tegen een boom of lekker in een modderbad, terwijl je rond het prikkeldraad een opening zoek of kijken van daar boven hoe ik mijn wijn drink, terwijl mijn vriend van ellende maar naar huis gaat, want owee als je toe moet geven aan je verlangen die luiken dicht te gooien, even alles achter je telaten en dan de angst dat je, je vrouw moet vertellen waarom je later thuis kwam als geplent, ik vul mijn glas, ik ruik het naderende onweer en voel enkele druppels, maar niet genoeg om de pomp telaten wat het is, die is morgen aan de beurt, morgen is morgen niet vandaag, vandaag is de hitte en laat me verlangen, naar verf en kwasten, bij gebrek schrijf ik maar, gelukkig is er nog wijn.
Mooi weer
Mooi weer
Terwijl david Bowie vlak boven me woond en de Stones ook niet ver hier vandaan en al die anderen geesten, die als het waren gekoppelt waren aan een machiene, het denken en doen, ontwerpen, vormgeven aan die saaie wereld waar in we groeide, groot werden en dachten, daar moet iets veranderen, open staande monden tot op de grond, politie kam er bij, wetsvoorstellen en uit eindelijk buigen voor het gewicht, het verlangen van de mens vrij te zijn, vrij van slavernij, uitbuiting en vrij van geloof en of je dan in een ander geloof valt dat moet ieder zelf weten, ieder heeft op zijn manier bij gedragen aan een beter wereld en daar voor moesten we bij ons zelf beginnen en nu zit ik in de gehaverde tuin op het terras en wenste jullie waren daar en konden mee kijken, naar wat mijn ogen zien, wat mijn neus ruikt, zo als de poes kijkt en de hond waakt, het geweer om de hoek, want je weet maar nooit en ik kan dit weten, denk niet dat mijn leven over rozen gaat nog van een ander, toch vrede heb ik gevonden, ver verscholen, als of het altijd, niet gevonden wilde worden, on herkenbaar, on berijkbaar voor mij, gelukkig vrienden brachten me daar waar het lag, verscholen achter een grote berg, tewachten, onzeker, van wie is hij en me toen insloot als klimop, waar ik zelfs met worstelen niet aan kon ontsnappen, dat is de plaats waar ik rust vond, misschien wel voor eeuwig, wie weet, onder tussen ga ik genieten, kijken, luisteren, spreken met mensen die ik ken en ook die ik nooit eerder heb gezien en wil met ze delen de ervaring, leed en plezier al zou het misschien vallen van een ravijn, zo voor over in het niets, waar een net gespannen was, maar nog niet, denkbeeldig en daar onder sta ik dan een helpende hand en we lopen dan samen verder, al in gesprek en kijken naar daar of hier of overal, terwijl een gedeelte van mijn geest denkt aan jullie die er geen deel van uit maken kan, omdat jullie geesten jullie kluistert aan waar je bent, als je bevroren bent, uit gehakt en monumentaal staat, leeft tot de dood, zo niet ik, ik smeerde me in met olie, zo dat ik glad werd als een aal en ontsnappen kon, veel later aan die Waalkribe, waar de palingboot lag voor anker, tot er haast geen paling meer was, dat klopt ik was weg, ontsnapt, opgeslokt door een berg, veel anders als het dal daar onder, nog anders dan het platto van Bowie, nog anders als Mick, die waarschijnlijk meer vis eet als ik, wat kan stilte rust geven en gedwongen zet ik de koptelefoon op en luister rock, want mijn geest smeekt daarom, die vertelde me op een dag, zo uit het niets, geen goede muziek! geen geest, hij had de koffer al klaarstaan, niet dat er veel in zat, maar zag wel dat het menens was, dus ik zei oke en zo is het dan ook gebleven, dus als u me met een koptelefoon ziet zitten of lopen, dan weet u waarom.
Doosje
Doosje
Let there be rock en zo ging het dan ook, ooit met Wout Pennings uit Nijmegen en Jonny uit Groesbeek, speelde we muziek nog niet gehoord, het hield niet lang stand, dit had meer met mijn onkunde temaken, maar de gedachte was geboren, wij waren toen nog niet aan gesloten, zo als vandaag, behalve mijn geest, het was de punk, de geboorte in Nederland, in anderen landen waren mensen met een zelfde geest als ik geboren en speelde het beter, zo zie je hoe belangrijk het is een geest tehebben, die ruim is, door tijd en ruimte gaat als of het niets is, niet dat je daardoor begrepen werd, veel erger we werden uit de speel ruimte gelazert, zo iets was het werk van de duivel en jaren later speelde ik de eerste beat mis in de kerk, hoe raar kan het leven gaan, gelukkig brak in mijn vinger en kon geen baree meer spelen en werd het spelen, schilderen, want mijn geest gaf het niet op, uit wegen tekeur, als het waren werden mijn penselen, lichaams delen in gesmeert en op het doek geworpen en het mocht niets voor stellen, verdomme had die geest geen makkelijker iets voor me kunnen bedenken?sta je daar voor iets wits en daar moet je kleur in brengen en dan mag het niets voorstellen, geen wonder dat ik de weg kwijt raakte en verloor alles om me heen, zelfs die lindworm, die reizen door landen, slapen op een dunne matras, een zwangere vrouw naast je, welke gek deelt dat met je?de angstige momenten van aan zwellent water, zonne stralen die tegen het atelier geworpen werden, dat zelfs een paraplu niet hielp, slechts een gekoeld glas bier en maar gleuren naar buiten door de ramen, naar een wonder kijken of hopen, insperatie, waar haal je het vandaan? een zuchtje wind, misschien met de vleugel slag van een voor bij scherende vogel of zes, negen als of je getroffen word en je kwasten vol gespoten worden met verf en je verder kunt gaan het totale niets schilderen en daar je tebuiten gaat als of je leven er van afhangt, zo als ik schrijf, want het zou mijn laaste dag kunnen wezen, mijn laaste bladzijde, ach wat maakt het uit, maar gedrevenheid is niet weg tedenken zonder dat je vlucht in je huis, want de zon was zo sterk en ongenadig dat dit de enige uitkomst was de dag door tebrengen, met goede muziek en vingers die er oplos tikken, het bekende glaasje wijn, wat verwacht je meer van het leven? als je geboren voor het grote niets? dus zo drink ik verder en zit tewachten op het moment dat ik weer de kwasten op kan pakken, mijn lichaam er tegen aan kan smijten en alles wat ik tegen kom en iedereen, emmer laat ik achter wegen want anders gaat het al ergens oplijken en dan kijk ik naar de schade om me heen en word triest, de onmacht overvalt me ik kon veel en heb veel gedaan, maar aan die ravage kunnen mijn handen, niets herstellen nog vorm brengen, vandaag komen ze het hek lassen, mijn Duitse vriend Kalle is zo vriendelijk dit tedoen, daaraan zie je maar hoe vriendschappen belangrijk zijn in het leven, die ontstaan zijn uit het niets, als of de ruimte wit was en de was wit en alles wit was, met daaromheen kleuren, vergeet niet de geuren en alle gekke gedachten, gedrochten, kronkel van mijn geest, alles wat bedacht was, of niet was, maar misschien wel, wie weet? ik weet niets en wil niet weten, daar komen alleen maar slechte dingen van, dat zie je wel aan mijn schrijven, je krijgt dan van de gekke verhalen, die ik soms zelfs niet meer kan begrijpen of terug lezen, maar geschreven id gezegt en beter iets als niets denk ik maar, veel liefs allemaal.
De achterkant van achter
De achterkant van achter
Ik weet het niet meer precies, was ik elf of twaalf? het maakt niet uit, wat wel kwam uit mijn kont was een worm, van wel een meter lang, opgerold, wit van kleur, als straf voor al mijn eten, dagen jaren van vullen die maag met eten, tot de dag kwam waar op ik naar de wc moest en als of het moest draaide ik me om en keek wat er uit mijn gat was gevallen en schrok!, verbaast, dat zeker, daar had ik wel eens van gehoord een lindworm, maar dat in mij, nee daar had ik nooit aan gedacht, als het waren heeft die wurm mijn bilspleet gepasseert, zonder tegen stand, blup in de pot, geen wonder dat iik nooit aankwam, geen gram, geen ons, dat op gerolde gedrocht, bewoog niet echt, spartelde niet tegen, als of het daar moest wezen, op bestelling, de juiste tijd, je snapt ik heb het snel weg gespoelt, weg was het als of er niet geweest was, bedachtzaam ging ik de volgende dag kijken of er misschien nog meer wormen waren, want je weet maar nooit!misschien was mijn buik vol van dat al, het heeft me niet weer houden, voor tegaan met eten en dikker ben ik er nooit op geworden, dus het is niet de schuld van die worm geweest, die tijdelijk mijn lichaam gebruikte als schuilplaats, zich met mijn darmen vermengde, gekronkelt en langzaam zijn greep verliest en uit gepoept word in dat koude plee water strort, die elk kruipen verlamt, misschien had ik mijn vinger in mijn kond moeten stoppen als ik geweten had wat gaande was, misschien had ik hem kunnen voelen, misschien had de wurm me gekust, als bedank voor de uit gestelde dood, misschien was die ontsnapt uit mijn mond, terwijl ik lag teslapen, via het laken op de grond, door een kier een spleet van stenen of hout, ontsnapt naar buiten in de tuin en verder weet ik het niet,maar dat al mocht niet wezen, zie je het voor je dat gapende gat van de wc en daar midden in die worm, glad van kleur een beetje slijmerig en dan die kleur van stront er omheen, tussen bruin en groen, gespikkelt, de kleur van pis er naast, laat staan de geur die opsteeg, de damp van verrotting, geperst uit mijn maag waar ik mee rond liep misschien wel twee dagen, misschien langer, ik weet het niet meer, als het waren droeg ik een wezen in me een vreemd wezen dat wel, paste goed bij me, mijn geest, mist en een raar wezen, toch moet ik wel bekennen dat ik op gelucht was, dat het mij verliet, zo als alles mij verliet en verlaat en nog steeds doet als of een worm door mijn vingers glippen, zo als het leven voorbij glijd, ongrijpbaar, terwijl ik het vast wil houden, omarmenen, kussen, lief wil hebben en dat terwijl ik bijna niet weet wat liefde is of betekend of hoe je het schrijft, zelfs de inkt van mijn pen gaat er vandoor, zo als de muziek door mijn oren verdwijnd, naar weet ik waar ik liep er een poosje achter aan, kijken waar heen, nou gaf dat snel op, onbegonnen werk, geen doen, het is makkelijker een ringworm in de wc tevinden, dat kan ik u wel vertellen
Luier morgen
Luier morgen
Als je bijkomt voor alles, ben je aan het zoeken, met dat geklets van mijn vrouw word het heel moeilijk, dat klets maar door als of de muur van Berlijn niet gevallen is, als of die nog steeds twee weerelde verdeelt in twee stukken, zo ook mijn gedachte, dan ken je ga rustig zitten, dat doe ik wel als de dag gekomen is en alles is uit, is over, geweest, rusten ken ik niet, nog die mensen om me heen, dat rent en beweegt, mijn ogen hebben soms moeite al die bewegingen tevolgen, mijn adelaar ogen verdraaien snel, ik knipper als een lens van een camera, mijn hersens zetten de vijfde versnelling in en zie daar, iedereen word gevangen door mijn blik, ze bewegen al trager, in een seconde weet ik een foto temaken, mensen die proberen te ontsnappen, worden tegen gehouden, als of er lijm op de weg kleeft, of stoel, bank, bar, straat, fiets of auto, zelfs de fiets blijft overeindstaan, die rok waaide in de wind en stond stil, die lach was vereeuwigt, ik die andere stille traan, van iemand met verdriet tussen al die andere vrolijke mensen meenigte, een traan die geen kans kreeg de bodem teraaken, die rookpluim van de sigaret sond stil, zo ook het geluid, van zingende vogels, die nesten moesten bevoorraden, voor nageslacht en die kip op het hakblok, had net zijn kop nog, na mijn geknipper niet meer, klap, kop er af en alles er omheen ging weer verder, mensen kwamen weer thuis, ik ook, allen mijn vrouw kakelde nog door, zo als die kip zonder kop, alleen haar kop is minder vinnig van kijken, als haar ogen knipperen, zit daar wat menselijks in, dus ik vergeef haar dat geklets, pak een glas wijn en langzaamaan kan ik het verdragen en krijg ik door dat ze gewoon iets wil zeggen om het zeggen, net zo als die traan die toen wel de grond raakte, toen mijn gezicht af gewend werd, van wat voor me afspeelde, mijn hond is blij en gaat op haar rug liggen, nu weten jullie het is geen mannetje, dus die vraag is overbodig, mijn vrouw soms ook, vierduizend kilometer in een auto en dat rebbelt maar door, geen wonder dat ik stop en even mijn benen strek en borden boven de weg vertellen je dat ook, als je vrouw veel klets neem een pause om de twee uur, misschien moet ik wel gaan overwegen ieder half uur testoppen, maar dan word die rit nog langer, nog meer tijd voor woorden, dan zit ik liever op het terras waar de rivier alles overstemt of op de camping in Bakkem waar die vliegtuigen boven je hooft afremmen, of aan zee, waar de golven alles om je heen verdoven of die fles Genever en die lip die nipt, nog net geen klontje zuiker er in, die hand gevult met een kinderhand, zo als een koek gevuld met spijs en word een gevuldekoek en kloek staat voor moeder, die ik niet ken, maar wel ooit geweest is en haar gelets heb ik niet aan hoeven horen, misschien daarom dat ik niet weet om tegaan met het geklets van mijn vrouw, misschien hoort dat zo, ik drink een glaasje wijn, uit een pak, flessen is veel duurder en ook sneller leeg, alleen mijn gedachten, zijn vol, vol verwarring, loopt soms over, zoekt een uitweg rond me heen, als of het via dat terras een weg baand naar de rivier en van daar naar zee, waar het trug vloeit naar mijn geboorteland, dat is ver weg, mijn moeder is nu op genomen in de aarde, daar is niets meer van te vinden, dus hoef ik ook niets te vinden, dat lucht op, dat scheelt, er komt in eens weer ruimte, daar dringt de stem van mijn vrouw weer door, alles is goed.
Ja daar ben je dan, nog verborgen in je dachte terwijl je al weet wat je moet gaan schrijven, maar zo werkt dat niet! daar zijn dagen voor nodig om dat te geaan schrijven wat je moet, wat je voorzichtig neer wil gaan zetten, terwijl je vingers het goed gaan vinden, of je berijd bent de knop in te,drukken, zo een weg banend, dat staat, staat moest staan, daar ben ik in twijfel, ik heb de woorden nog niet op gestapelt, zo dat ze door een mes los gesneden kunnen worden, als lava, met de rode gloed af op het doel, die heb ik nog niet, daarom al doe nonsens, verhaaltjes, zo als zij is, het kind in ons, wat we ook nooit mogen verliezen het kind zijn, gewenst, geliefd on geliefd, het kind heeft en moet hebben een kans, ook al is het geven door een derde, beter dat! als vergane kansen en laat ze kijken, laat ze doen, ze doen het goed, ieder op zijn eigen manier, ik heb vertrouwen want hier achter staan moeders, vaders, met al die angsten, de liefde laat me beseffen, waarom ik niet! die zelfde gedachten, worden weg geblazen door de wind en maakt me wakker en kijk vooruit, alles is goed, die angst verging
Waar om niet zweepslag, het kon erger
Waar om niet zweepslag, het kon erger
Nijmegen heb ik niet echt gezien, deze keer, ik had geen tijd, tussen tandards door, angs voor het trekken van een kies, laat maar zitten, tot de volgende keer denk ik dan, zo heb ik Nederland gezien in snel tempo, de auto heeft het begeven, bij aankomst, die laaste vierhonderd kilometer is mijn langste geweest, angst en beven, halen we het? en mijn gedachte gaan terug, nog voor ik ging, toen ik zat in bakkum, waar de vliegtuigen boven je hooft afremmen, zo dat je het slapen wel kunt vergeten, tenzij de wind draait en je even rusten kunt, je gedachten en vrienden kunt verwennen, naar het stand kunt gaan, de zee kunt genieten als is het een helskarwij daar tekomen en dan die zee voor je, al wetent dat de eeuwigheid daar is, die kleuren, misschien grijs een wind die waait en in je ogen sporen achterlaat, laat staan in je haren, helmgras verbogen buigt als of onze koning komt met zijn gemaal en de meeuwen dansen op de wind terwijl ik genever drink niet een of twee, meer, geniet en kijk naar mijn dochter, die opgenomen word in het strand als of ze daar thuis hoorde als of het zo moest wezen zo als ik ooit een daar was, onschuldig, niet wetent wat het leven me zou brengen nog wensen, een kind en zee, de golven en alles daar omheen, de geluiden, het geknisper van zand, die ziltesmaak, die dromen, dat nippen aan het glas en weten dat alles goed is en zal zijn want het moest zo wezen, die natuur zorgt voor ons, vervrongen in mijn glaasje jonge genever, nog niet vervrongen mijn dochter dus niet aan de drank, die leeft zich uit, geniet zo als ik eens genoot van wat was, mijn hart is vervult, mijn hooft is blij mijn geest verheugt zo dat niets was voor niets, niet die vriendschap met vreemde die bekender werden en zo bekend dat is ze nooit meer uit mijn gedachten kan wissen zoals die blik naar die zee, waar alles van kwam alleen ik niet, ik kwam per lucht dus kun je zeggen er tussen in en dat past in het plaatje, ook al duurt het lang voor je dat kunt zien, met mijn dochter de weg naar huis, rollen, rennen door het zand, lachen, huilen, wat zijn we blij, die wind door onze haren, aan komen, uit geput aan, blij, die hand van haar, zo teder en dat terwijl ik weet dat mij rest niet zo lang, ik zou mijn arm willen geven, voor iets langer, misschien kan ik mijn neus missen of een oog, ook al zou ik minder ruiken of zien, die hand van mijn dochter is zo echt, die wil ik voelen al moest ik kruipen, slepend voor uit in dat zand van duinen, helmgras er naast, wat maakt het nog uit?laat mijn geest het werk doen, zo als die eens mijn leven bepaalde, me mee nam naar hoeken en steden, naar jullie, wat mis ik jullie allemaal, dat ik niet meer kan waken en even mijn arm om jullie heen kan leggen, maar de hand van mijn dochter maakt alles goed, in die hand zitten jullie ook, ik denk aan jllie allemaal.
Paarde drol
Paarde drol
Zo sta ik op, als of het gisteren was, toch niet het was vandaag, terwijl mijn gedachten in gisteren huisde, verscholen in de schaduw van weleer, waar jullie tot leven komen ook zij die er niet meer zijn, die as zijn geworden, verstrooit over de aarde of zee, wie weet, ik was er niet bij en wil dat uitstellen zo lang mogenlijk, rimpels zijn gekomen, gezichten vertekenen, zo als alles er omheen, het enige dt strak blijft zijn de herrineringen ook al zijn deze vervormt, zonder dat we het willen, het gebeurt, ook ik kan daar niet onder uit, het vliegtuig Dakota werd anders als ik dacht, maar verweven zit het vertrek uit Bandung, dat was die dakoto op gedoken uit mijn geheugen, Schiphol was niet verandert nog de kilte van aan komst, nog de kilte die moest komen, al had ik het graag anders gewild of willen hebben, laat staan mijn geest die dwaalde door de straten van Nederland en daar buiten, Amsterdam slapen op de Dam en verzwolgen in rook, geuren en dampen, grachten heel lang, laat staan de troep daar op drijvend, dode vissen en alles wat verdween daar in, gestolen of begraven met beton, Amsterdam is wild, Amsterdam is lief, mijn laaste bezoek was geweldig, hoe is een stad in staat gevoel te uiten van de wallen naar de boven wereld, die je als het waren ondergaat, die kontrast, zo dat je blij bent te kunnen ontsnappen, behalve de dronken mannen en alles wat daar denkt iets temoeten doen, verborgen, verdekt op gesteld, van gat tot gat, kanalen, banalen, nep, gekocht, gekregen voor even gespeeld, duiven die rond vliegen, beelden in levendelijven en beelden van brons, mensen achter een camera en die camera schiet de beelden, dat is beter als schieten op mensen, mensen jagen, beter als jagen op mensen, de jaren zestig worden zichtbaar, mensen opzoek naar toen, bussen stoppen en worden geleegt, boten vullen, lossen de schoten en varen er op af, de wateren, de scheven huizen, de zon straalt en bij regen heb je pech, de boefjes wachten in de straten, je herkent ze ver verre een beweging van mijn oog laat ze op lossen in het niet als of ze er niet waren geweest, waakzaamheid, als een herdershond, waak ik over mijn groep, ook al is het voor even mooi ik ben blij dat ik de stad kan verlaten en in kan ruilen voor bomen, bergen en ongedierte, die je met een mep plat slaat of een rode bloedafdruk achter laat, met striemen van de slag, verscholen in het landschap daar is een dorpje, ook daar heb je een boven en onder wereld, onder wonen de mensen en boven de volhouders zo als ik.
Moet, Moet
Na veel slapen, komt de rust terug, alle gedachte in mijn hoofd, vinden hun plaats, als of het zo had moeten wezen, al is het zoeken naar woorden, schraal, als of mijn tong droog is, vol zand, waar schelpen uitsteken, misschien het lijk van een pijlstaart inktvis, wit geschraapt door de parkiet, zo dat het lijk een tweede leven lijd, via het poepgat een derde, misschien wel laaste bewijs van bestaan, ik zit in het dorps cafe, luidruchtig, want ik ben blij, ik ben blij mensen te zien, mijn uitzicht van de bergen om me heen, wat eens was mijn geboorte land, omdat ik jullie niet kon missen koos ik voor hier, niet te verweg, niet voor altijd, want anders had mijn leven geen zin gehad, want aan jullie heb ik het te danken dat ik besta, dat mijn hersens werken, op volle toeren, aan jullie moet ik denken elke dag, zo als ik denk aan mijn gemis, ik hoef niet te kijken naar het grasveld van mijn buurman, nog zijn rozen tuin, dat is niet van mij, mijn tuin waar de wind waait, waar de mieren hun gang gaan en niet duidelijk is wat ze doen, voor mij, er bestaat iets waar ik geen weet van heb, maar gebeurt elke dag opnieuw, en langszij als een schip lig ik in het gras, met een stengel tussen mijn lippen, kijkend naar de wolken die voorbij drijven, waar je naam staat geschreven en door de wind weet ik waar je vandaan komt, de vrede, de rust, terwijl de wijn gulzig gedronken word, mijn lippen sporen achter laten op het glas, morgen is een nieuwe dag, ik kan haast niet wachten en het zand ook niet, die werd versprijd over het land door de wind en nm de schelpen niet mee, liet ze achter, verloren zo als mijn gedachten, los kwamen en achter lieten de herrinering van jou.
Proet, proet
Proet, proet
Dat was de dag, dat was het moment, waar op ik haar moest zeggen zorg voor je zelf, denk aan je zelf, vergeet mij, weet het gaat goed met me, denk aan je zelf, denk aan je gezin denk aan je kleinkinderen, denk aan je leven, zie wat je gedaan hebt voor me, die liefde blijft, je bent tien jaar later bevrijd als ik, tien jaar lang heb jij moeten lijden, tewijl ik al vrij was, verlost van het boze en jij mijn zusje, werd een baboe en wij vergeven de kinderen van haar, het is niet hun fout, zei kunnen er niets voor, zij wisten niet beter als dat het zo hoorde dat een oudere zus gebruikt werd als poets lap, terwijl ik worstelde met het leven was jij slaaf, ik onthef je van je schuld gevoelens, naar mij toe, je hebt je best gedaan, ik zie nog die foto voor me van mijn zusje, die zo anders was zo als ik je ooit zag, een beetje eng een beetje anders, maar ben zo blij dat het contakt is gekomen, dat we vreugde beleefde, dat we elkaar kuste zo als broer en zus behoren tedoen, die ogen die elkaar aan kijken, onderzoekend, on wennig misschien, de herkenning, die warmte misschien, al die onzeker heden, van toen die dag dat we gescheiden werden tot nu, nu zijn we samen en nu gaan we scheiden en alleen omdat het beter voor je is, denk aan je zelf, leef eens jouw leven, dat is wat ik je gun mijn zuster, je hebt alles gedaan voor mij, veel meer als ik ooit kon doen voor jouw, ik ben je dankbaar, je bent de gene waar ik het meest van hou en houden van, zal , houden ooit, wat jij voor me gedaan hebt toen ik het meest verloren was in het leven, geen strohalm had, ook al waaide de wind van alle kanten, mijn haren in de wind, was jij die me schreef, was jij die me zocht en vond en die dag vergeet ik nooit, zoals deze dag waar we bijde zo anders zijn als we waren, van die foto van wel eer, ik hou van je zusje als geen ander en wil dat jij tijd neemt voor je zelf, je gezin en alles om je heen
Bloemen kleur
Bloemen kleur
Een beetje een houte kop van het geweldige feest van Kap en Joke, verjaardah haar en 25 huwlijk, waar ik mijn pet voor afneem, dit is mij nooit gelukt en zal ik ook nooit halen, moet ik jullie mede delen dat ik voor een poos uit de lucht ga, ik ga met mijn gezin genieten, ga alles naast me neer leggen, zelfs mijn geest laat ik achter, mijn mistlandschap, verruil ik voor zon, ik ga Nederland trakteren, we zijn er helemaal klaar voor, jammer dat ik niet iedereen kan zien daar en erger komt, daarna zullen jullie me nog zelden treffen, de kwasten worden uit de kast gehaald en ga weer gekke schildrijen maken, die jullie niet zullen snappen en dit hoef ook niet, want ik schilder voor me zelf, ik weet precies wat het is, niets!, daar zal ik weer bewegingen gaan maken zo als mijn hart in geeft, de geluiden om me heen, dat trillen van de warmte, die mijn oren opvangen en via mijn vinger toppen, zo via de penseel op doek gesmeten word, zonder dan na tedenken, het doek en ik worden een als of ik het doek ben en mijn hand daar buiten de verf zoekt, daarbuiten alleen de verf nog moet mengen alvorens het naar me zelf gooi, knipper met de ogen, misschien is het beter die te sluiten en een uitweg vind via de achter kant, om het doek loop tekijken wat het geworden is, misschien zet ik het wel voor mijn bed en ga het bestuderen, breng ik veranderingen aan, of laat het zo als het is en passeeren duizende beelden het werkelijke eind product als of het zo had moeten wezen en niet andes.
Springen laag
Springen laag
Met een gebroken rug kom ik van vrienden en duik zo lekker in bed, het goede nieuw is gekomen, eindelijk krijg ik bevestig dat mijn vader dood is, hij was allang door in mijn geest, maar nu krijg ik het zwart opwit, zelfs een bid prente kon er niet van af en dan op zijn sterfbed zeggen tegen mijn half zus dat hij van me hield, want daar kneep hij hem toch wel even, daar werd die met die kleine neus even op de fijten gedrukt, zo net voor je het hoekje omgaat, voor mij was hij allang om de hoek de balgehakt, nee, ik heb een held van een vader, voor mij als vader was die een held op sokken als je je eigen kinderen weg doet voor een baboe en wel voor de kinderen van de baboe zorgen en dan op late leeftijd door die baboe op straat gezet word, zo als je met ons gedaan hebt, terwijl riepen om je, droomde van je, hunkerde naar je stem, ook al was je kus nat, je hebt nooit naar de kinderen van mijn zusje kunnen kijken terwijl je vlak om de hoek woonde, terwijl mijn zusje heeft gezorgt voor de baboe kinderen en waarschijnlijk als een baboe door hen behandeld werd, straks gaan we lekker kijken wat je gedaan hebt, eens te weten wat je daar deed, heel ver, daar zijn we benieuwd naar, daar hebben we recht op, voor al die ontberingen die we door staan hebben moeten en als er een stanbeeld in Nederland komt, dat is zeker niet voor die Indische kinderen die het goed hadden, maar zij die door een hel gingen, die zich vandaag de dag nog af vragen waar ze het aan tedanken hebben zo behand te worden, de stumpers, heeft ooit iemand daar aan gedacht? waren jullie zo bezich met de weder opbouw, dat die arme bruine kinderen onder gedolven werden door sneeuw, ontbrak de wortel, ontbrak de kolen in de ogen en door de kouw konden zelfs die tranen niet gezien worden, nog vloeien en dat terwijl toen al die pieren al mijn richting keken, ik uitstel kreeg voor veel later, het land wat ik heb moeten ontvluchte en dat land waar ik aan kwam ook en als het even door gaat moet ik weer of schiet een kogel door mijn kop, op dat het op mag houden, zodat het lijkt dat ik nooit bestaan heb en dat nooit iets was, dat zelfs die vieze ondebroek die in de machien gespoelt werd, niet meer rond hoeft tedraaien, wat ik ben er niet meer, dus waarom ronddraaien in een machien, als of wij werktuigen waren, tuig, ja dat zijn wij geworden, want als je geen respect krijgt ga je het halen en omdit laaste ben ik niet trots en weet dat vele boefvrienden dat ook niet zijn en je hebt boeven, kwade en daar na en dat zijn de ergste, zij met een diploma, die hebben vrije baan en als het ze niet bevalt, dan ruimen ze je op, met die kwade en ik wil niets opruimen zeker niet op zo,n manier, al die standbeelden om me heen, doen me alleen herrineren aan onder drukkig, wie drukt het hartst, wie is sterken en vroeger was dat zo, vandaag de dag moeten we de zwakken beschermen, voor we op gevreten worden door die pieren die niet kloppen aan de deur, vertel mij wat en als ik dan mijn geweer pak ben ik de lul, waar gaan we heen, dan wil de politie weten waar mijn geweer is en dat gaat ze niets aan, ze zijn bang dat het tegen hen gebruikt word, dan word het tijd dat ze eens moeten kijken naar hun gedrag en de regering ook en alles wat daar zamen speelt, alles verdeelt en een miljoen Chinesen en ik en jij? wij allemaal, verdomme wat zouden we toch blij zijn als we bevrijd zouden worden van dit alles, ik ben nooit aan gekomen, ik ben nooit bevrijd en ik ben als een ziel verloren in het al, ik heb aan mijn dochters tedanken dat ik weet dat ik besta, we moeten weer eens om die ronde tafel gaan zitten en die mensen met die grote bekken gelijk opsluiten, we hebben mensen nodig met een mensen hart, met gevoel en begrip en de rest, opsluiten en niet anders om.
Dagenlijks
Dagenlijks
Terwijl dat blad weg rot, zo rot is als ik me voel terwijl ik daar jaren naar kijk tot het een geworden is met de aarde er omheen, voel ik langzaam aan de pieren tegen mijn benen opkruipen als of ze niet kunnen wachten om aan tafel tegaan, terwijl de gebradekip door mijn vrouw op tafel gezet word en weet dat een poot er van ieder geval voor mijn dochter bestemt is en de andere voor mij, de rest is voor haar, dat witte vlees hoeft niet zo van mij, ik ben gek op pooten, soms knabbel ik aan mijn eigen benen, dat is geen makkelijke houding, maar met een beetje oevening zo onder de knie, daar boven word het lastiger, soms stop ik dan een grote teen in mijn mond en bijt de nagel af en spug die uit, want zo lekker is een nagel niet, drink liever een glas melk zit ook kalk in, maar die pieren zie ik dus oprukken in getalen ze kruipen van uit mijn tuin, richting mijn huis door de voordeur zonder tekloppen en die slijmerige lichamen glijden over de vloer terwijl ik eet, mijn dochter nog vrouw hebben hier erg is, zij zien dat gevaar niet, ik wel ik zit met wijd open gesperde ogen tekijken en die wormen kijken ook, zelfs naar dat wit en denken hoe komen we bij die oogkas en zien misschien die witte hersenmassa van mij, waarvan ik dacht dat die niet bestond?, zo zie je dat pieren veel meer zien als wij, terwijl ze geen ogen bezitten nog kop of kont of bijde, van voor naar achter en snij je ze in twee dan kruipen ze verder en eigenlijk zijn ze beter om er mee tevissen aan een haak, voor paling of baars en wat dacht je voor de kippen, die later op mijn bord komen of de moestuin, waar ik dan een spa in stop en ze in een potje doe voor het vissen en dat zit me dan aan tekijken als of ik die dode kip ben?ze hebben geen manieren dat staat vast voor mij, eerst niet kloppen aan de deur, dan je aan kijken als je aan het eten bent en dingen zien die er niet zijn, ik vraag maar helemaal niet wat ze nog meer in gedachte hebben, misschien moet ik ze wel een pen en papier geven, kunnen ze verhalen gaan schrijven met mij? wie weet word het wel een spannend mooi verhaal, het pieren boek of woorden van een pier, misschien winnen ze wel een prijs, dan hebben ze misschien geen belangstellig voor mij, misschien kijken ze wel naar een reporter die over hen schrijft, goed die zit dan vast niet aan tafel en die komt zelf binnen, dus ze hoeven ook niet te kloppen op de deur, die reporter loopt ze zo in de armen en word dan leeg gezogen, uit zijn zak valt de pen, waarmee hij alles had willen opschrijven, boem op de grond en zijn broek ook, denk dat er snel een televisie programma gaat komen, reporter verslonden door wild geworden schrijvende pieren, beter hij als ik, laat mij van die kip en gezin genieten zolang het nog kan en mag en die pieren? gewoon terug sturen waar ze thuis horen in moeder aarde, waar ik vanzelf op een dag heen ga een bezoek afleg voor eeuwig. dat ik kan zeggen ik ben thuis ik zit niet meer tussen wal of schip ook al kwam ik met een vliegtuig en geen boot, als die pieren een beetje door graven komen ze ook daar uit waar ik eens ben geweest, misschien kunnen ze iedereen wel de groeten doen van me, als ze maar niet weer zo raar gaan kijken naar mensen in het algemeen. eigenlijk moeten ze voor ze de grond in gaan mij beloven anders tegaan kijken en dan mogen ze verder kruipen.ga net buiten zitten op het terras de zon straalt, geen pier te bekennen?
Meelworm
Meelworm
Het is als of de natuur iets goed te maken had met me, al die te kortkomingen, al die ontbering, zo werd ik bedolven onder vrienden, vrouwen, dieren en allemaal gekke verhalen in mijn hoofd en allemaal van die op het eerste oog nergens opslaande schilderijen, verhalen waar geen touw aan vast te knopen is, hersens die niet bestaan, eerder zaagsel een poeder vorm, waarschijnlijk wit van kleur, ook al is dit geen kleur, heb ik ooit gelezen, zo zit alles om me heen raar in elkaar, armen en benen, die bungelen er een beetje bij, zo van wat moet ik hier, de rest van mijn lijf loopt ook maar wat te wezen, gewoon een raar mens en die natuur om me heen is mooi, woest en ruig, daar ben ik maar een watje tegen over, die kleuren pracht om me heen, kan ik zelf niet bedenken, al probeer ik het soms wel, dat kan gelukkig geen kwaat en doe er ook niemand pijn mee, overtreffen, nee dat lukt niet en dan die verschillende kleuren per ieder uur en soms in een oogwenk als of je door licht gaat, terwijl het al weer bijna einde van de middag is, dan worden je ogen bijna verblind en zo vooral tegen de herfst als bladeren voor ze gaan sterven en afvallen nog even willen laten weten dat ze er waren om nooit vergeten teworden, voor dat de wind ze op de grond smakt en verwaait in alle richtingen of aan geveegt door een gemeente werker of huisvrouw, man of door kinderhanden op nieuw de lucht in worden gegooit om dan tekijken hoe ze neer dalen opnieuw, opnieuw als of ze een tweede, derde levens duur zouden hebben alleen in gedachte, tot ze uit eindelijk verrotten en dienen als mest, waar een nieuwsoort leven ontstaat, he ik zie een blad lopen op de rug van een mier bruin en droog, de eerste scheuren van vergaan en zo stap ik op dat blad en knispert, kreunt onder mijn zolen, wat dat betreft zijn mijn oren goed en mijn neus, ik kan ruiken als geen ander ik ben een natuur mens geworden ik leef er zelfs van ik ben als het waren op genomen in de natuur als of ze zich schuldigvoelde en het goed met me wilde maken, zo van kind kom jij maar hier? ik was het kind zijn bijna ontgroeit, tot zij riep, toen gaf ik me over in haar armen en liet me wiegen, als of ik terug was in de jungel, waar ik ooit was verwekt, misschien is die wel gekapt en staan er nu huizen en zo kocht ik een geweer en ging jagen in haar en plukte kruiden in haar en paddenstoelen, waarvan ik heerlijk eten kon maken, met als in de supermakt een stad verder, mijn adoptie natuur had alles tegeven, zelfs mooie stenen of van het verleden vermalen zandkleuren stof, kon er zelf in slapen, terwijl de nachtvlinders vluchte voor de vleermuizen en als ik dan een zok om mijn hand deed, dan ging die muis geklemt om mijn hand zitten, dan zag je die kraal oogjes die je aan staren en dan begrepen we elkaar, hij vroeg zich ook af wat doe ik hier op die hand, ik hoor tevliegen, ik vloog ook, van heel ver, ooit.
Hup wat
Hup wat
Ja daar sta je dan, hij heeft het nog niet begrepen en ik ik drink mijn wijn, wat ik schenk nog bij, als ik zie waar jullie allemaal kijken wat voor nonsens sends ik schrijf, dan is het of mijn hart die duizendstukken overleefde als of jullie ieder een stuk terug kwamen brengen, een voor een en dat er iemand was die velpon had die dan klaarstond en een drup er op deed en het werd gemaakt, beetje bij beetje, werd mijn hart zo als wel eer! maar duizend stukken dat is veel, dat is enormveel, dat zijn wel duizend tubes lijm, wel duizend geduldige mensen en handen en vingers die knijpen om die druppel uit die tube tekrijgen, laat staan al die stukken hart die terug geplaast moeten worden, geen nmmers dat is een hele puzzel, begin er maar aan, ik niet, ik pak een glas wijn, dat gaat sneller dat glijd makkelijker weg, die stukken komen later, als je de inventais op gemaakt hebben, val me niet lastig, maak me over dire dagen wakker of een week, een maand, dacht je werkelijk dat het uit maakte van dat wat je verloor, toen, terug kreeg veel later en dan in tempo?
Mag ik ook even mijn mond open doen?
Mag ik ook even mijn mond open doen?
Jullie moeten niet denken dat stil heb gezeten, weten jullie hoeveel wijn mijn keel is gepasseert en dit na dat mijn nep oom Joop Eilander, vriend aan huis van mijn pleegouders, me een glaasje in schonk, om maar snel van me af tezijn altijd weg veegde mijn in de knoop zijn, ik weet niet of jullie dat kennen een bolwol, dat is een mond vol, maar als die in de knoopraakt, dan kun je je lol op, dan is het begin en het einde zoek, zo was het met mij en zo ben ik aan de drank gegaan, aan de drugs, gelukkiggaat het beter met me, kun je je voor stellen wat er in die oren, ogen plaats hebben gevonden?laat staan mijn brijn? ik ben 60 jaar later nog bezig en het houd niet op! er komt geen eind aan, ik blijf maar schrijven, mijn vingers zitten net zo in de knoop als ik zelf, we zouden feest moeten vieren, mijn vingers en ik en dan jullie er bij, laat die bollen wol de hik krijgen, dat is onbegonnen werk, met al die werklozen, vroeger graafde ze kaanalen, nu misschien annalen of vinger omhoog, weet ik wat, vul snel mijn glas, want die staat me ook al aan tekijken, van wat ben jij daar aan het doen, dus ik neem een slok en schenk in, wat maakt het uit, zo als ik schreef, ik ben tussen wal en schip, ik ben nooit thuis gekomen en dat kan want ik kwam met een vliegtuig, donder zo op de landingsbaan, god wat koud, die kou die nooit weg ging en ik ook niet en jullie? jullie waren daar, geen wonder dat ik me rot rende van hot naar haar, met mijn neus op zadels zat, waar het snot van af liep en toen weg gefloten, door een commissie die ik niet eens kende, het leven kan raar gaan, zelf mijn hond snapt dat, die legt zijn kop op mijn schoot en kijkt me aan, zo van arme kerel wat doe jij hier, wat moet ik zeggen? dus geef ik haar een aai over de bol, had ik die maar gehad, toen ik wel een bol had, maar geen haar, ik ben nog steeds verbaast dat ik haar heb, terwijl de meeste mensen om me heen niets hebben, zo je daar van leren, dat als je geen aai krijgt in je jonge jaren, je haren langer blijven? ik weet het niet ik raad alleen maar, want mijn hond kan niet praten, dus kan die ook het antwoord niet geven, nog mijn glas wijn, ik heb er lang naar gekeken, de kleur was goed, de smaak ook, dus weg er mee, in dat kanaal, dat grote gat, waar een klepel in hangt en als je daar omheen kijkt zie je van die rotte tanden, waar mijn tandarts een levens taak van maakt, laat staan wat die wijn denkt als die langs mijn tanden passeert, die moet vast zijn neus dicht knijpen, wat oog doeken om doen om die ellende niet te hoeven zien, zo als mijn vrouw en kind nu slapen, die willen ook niet in mijn mond kijken, laatstaan ruiken, die ronken voor uit, dit hoop ik wel want anders donderen ze uit bed en dat doet pijn, vooruit, dat weet ik niet, daar kan ik niets over vertellen, ik ga er van uit dat dat goed is, ja als je een paar glaasje op hebt komt het niet zo nouw, mijn kachel wel, wat een stom ding, wilde gewoon niet, heb hem gemaakt en nu brand die als een tierelier, stoort me bijna bij het schrijven, nog even en draai zijn knop om en die van mij en het glas.
Ruteltuttel
Ruteltuttel
Ik heb maar een fles los getrokken, wat maakt het uit hoe je schrijft, als je maar schrijft, zoveel landen zoveel mensen, schrok er van, wist niet dat jullie allemaal niets tedoen hadden, dat jullie tijd hadden voor een mislukking als ik, die ook maar wat aan klooit, waar mijn hoofd gewoon door gedraait is, zo dat ik op een stoel zit en mijn hoofd er naast zo dat het mee kan kijken wat ik aan het doen ben, nog een paar nachtjes en ik ga mijn gezin op halen, we gaan haring happen, dit laaste vind Mercedes zo mooi, al moet het wel in blokjes gesneden worden en die uien mogen achter wegen gelaten worden van haar, we gaan een toer maken door het land, dat zal wel de laaste keer worden, want met pensioen krijg je niet veel geld en zelfs met dat vacantie geld, kom je niet ver, niet verder als de volgende rekening die in de brievenbus valt net voor je het ontvangt, wat dat betreft heb ik beter tijden gekend, net als jullie, ach als je maar gezond bent en de rest dat zien we wel weer, we gaan gewoon door stemmen, we laten ons gewoon verder een speld op de mouw knopen, dit laaste kan niet, want spelden is niet knopen, vrij vertaald betekend het bedonderen, belazeren, met een kluitje in het riet sturen, nou mij sturen ze niet meer, ik trek aan het stuur en ga ergens anders heen, ik rij die berg af en niet meer op, verspilde energie, dat ze daar geen belasting op heffen? mijn vriend Jan uit Beek die doet dat op de fiets, die lijkt wel niet wijs, wel dapper, dat niet, denk eens aan al die zweet druppels op zijn voorhoofd? en voor straf drinkt die daar na een glas of twee drie bier!, al dat rubber op de weg achter latent, laat staan zijn kruis als of ik met mijn neus op zijn zadel zit en mee rij om tekijken of hij het wel goed doet, ik moet een goed gesprek aangaan met die neus van mij, die word ook met de dag gekker, wie gaat er nou op een zadel bij jan zitten? zal je zijn vrouw moeten horen? zo van wat moet die neus daar en van wie is die? zo ik ook hebben, stel een neus in mijn kruis en niet eens weten van wie, dat kan niet, misschien moeten we wel een commissie aan stellen van neuzen, wie war, wel en niet mzg neuzen, hangen of zo maar doen, ruiken, snuffelen, snotteren, groensnot achterlaten, dat met de vinger opgevangen en weer inslikken en niet over dat zadel, dit laaste word intresant, want die bil, natuurlijk een bil! want anders zou die neus over dwarsgaan en dat is door de commissie verboden, verboden voor dwarsliggende neuzen, die worden gelijk uit geschakeld, dus die kunnen dan ook niet de schuld later krijgen, van wat deed jij daar over dwars! dus die ene bil ziet die snotstreep, trekt zijn spier iets zamen, zodat er geen contakt komt en de fietser pakt een doekje en feegt dit af, zonder er raar van op tekijken, dit kan want elke fietser weet dat er een neus mee kan rijden, zwartrijders worden ze wel eens genoemt, heel bekend in de Tour de France, op elk zadel zitten zelfs meerdere neuzen, die terwijl er gefietst word, gaan neuzen tegen neuzen en dat word te gortig? daarom heb ik vandaag een commissie in gesteld, die heet, neus of geen neus, mee of niet mee, u kunt zig aanmelden via dit blog, wel gaat u door een andere commissie, de bil commissie, deze laaste is de beslissende en er bestaat geen beroep, tegen! zelfs de wielrenner word uit gesloten, iets te bepalen in deze bijde commissie,s, want anders kon het corrupt worden en dat willen we niet, oke dope tot daar aan toe, nee wij van de neuzen willen niet dat men ons later iets kan verwijzen, met vriendelijke groet de neuzen.
Poolbeest
Poolbeest
Als ik drink ben ik op zijn best, de weg naar Portugal, dat verhaal ws het nu versla ik alles, zoveel landen en ik vraag me af of ze het kunnen lezen, als ik het zelf al niet kan, natuurlijk weet ik wat ik wil zeggen en wat niet, dit laaste is niet zo erg, we gaan nu naar de mijnen, de boven gondse mijnen, daar hebben mensen bergen verzet, gewoon opgeschoven, dus alles wat je ziet is nep, mijn hondehok is gezet op een rots en die rots is ooit bewandeld door beesten, groot en gevaarlijk, ben blij dat ik toen niet bestond, de rillingen lopenen over mijn rug, zo als mijn hondehok ligt op de rotsen, toen uit gehouwen en waar die engerts rond gelopen hebben, waar we met stokken liepen in de hoop wat op tafel tekrijgen als we toen al een tafel hadden, het was meer een grot in grot feest, leg het op de grond, leg het neer en eet, zo als ik eet mijn bord rijst en met mijn handen, nog lepel, vaak krijg ik een vork, wat moet ik daar mee?, ork, ork rijst eet je niet met een vork, nog soep, nog mijn leven, nog het leven van zo velen, die daar kwamen uit het niets en verscholen bleven op dat ze niet op zouden vallen, die niet die klappen hebben gehad zo als ik, die braaf zijn geweest, zodat ze stil onopvallend het leven leefde, terwijl ik nog in oorlog was met mijn verleden, mij is nooit de vlag getoont, nooit heb ik een onderschrift gezien dat het over was, nooit heb ik de vrede kunnen voelen, die jullie getekend hadden voor dat ik begon te schilderen, mijn vrede mocht niet wezen en ben eigenlijk nog op zoek naar die vrede, ik ben gegaan naar Amsterdam, Groningen, Utrecht, Den bosch noem maar op, ik heb niet mogen vinden die rust, niet in me zelf, al wilde ik graag, al wilde ik liggen voor een altaar, niet dat het mijn wens is, want ik geloof daar niet in, maar om jullie blij temaken en als jullie blij zijn, ben ik het ook, hoe snel is een hart gevult, ook die van mij, ik geloof alles, zelfs wat niet zo is, ik eikel en hang niet eens in een boom, wat een oen, hopen op een grote hoop, tewijl de hoop kleiner word en mijn angst schijt ook, die dun uit mijn poepert druipt, nog nalekt, weken er na, wat jaren er na, als we toch overdrijven, doe het dan goed en dat wil ik graag om de ernst van de zaken te beschrijven en niet dat leeg geklets om aandacht te krijgen die je niet verdient, nog recht op had, geen wonder dat je naar god ging, dit laaste is me bespaart gebleven, gelukkig maar, had ik nooit die hand vast kunnen houden, van hem die hem ooit vast hield, toen ik bang was, bang tezijn wie ik was, toen jullie me aan keken, van wat moet hij daar, en ik keek, wie bedoel je toch niet mij?
Sprinkhen
Sprinkhen
Drink mijn wijn, dat roep herrineringen op en aan de kijk cijvers te zien, moet ik gewoon fout schrijven, zo als school als ik op de gang moest staan met zangles of welke les dan ook, uit mijn periode als portier, stond ik ook in de hoek, hield mijn hand op en kreeg geld, werd zelfs bedankt voor de fijne avond, dat lukte opschool niet, denk dat de school me daar express neer zetten, iemand moet die school bewaken en als zoon van een soldaat, wat een smerige streek is dat toch, ze vragen en verlangen iets van je, waar van ze bij voorbaad al weten dat je het niet kunt en op de gang er mee, dit is mijn derde glas wijn en nu pas snap ik het, 57 jaar later, valt dat kwartje en een vriend je kunt nooit een kwartje worden als je voor een dubbeltje geboren word, die zal die woorden in moeten slikken, terug nemen, vriend Maick, hou toch wel van je, je bent en blijft mijn oude vriend die al dat geleuter van me moest aan horen met je vrouw Noor en denk aan jullie ouders, die er niet meer zijn, daar was altijd plaats voor mij, daar mocht ik ruim opscheppen, zo wel aan tafel als met de mond, ja de moeder van Maick, die liet zig het kaas niet van de boterham af halen, dat was me een tante, maar wel heel lief, dat was in de tijd dat Nijmegen nog Nijmegen was, toen hadden ze straten nummer gegeven, om het makkelijk te maken, wat een ellende als je moest zoeken, nee geef mij maar die straat namen en het liefste Indische straat namen, zo dat heel Nijmegen weet wat we doorstaan hebben voor we er kwamen wonen en hoe moeilijk het was vrienden met jullie teworden, oke het is gelukt, toch had ik het graag anders gezien en met mij vele, die kwamen van zo ver, waar onze ogen dingen hadden gezien die jullie vergeten waren, die alschoon geveegt was, zo als de straten maandags na de markt en waar je dan afzakte naar de Bongo Bar van Adje en ik jullie koffie gaf, zo,n blauwe aap, Adje was een soort vader voor me, heel bezorgt en had geld genoeg voor mij, mijn handen werden gevult zodat ik geen gekke dingen hoefde tedoen om te eten of drinken en de mensen van de markt waren gul, daar kan ik niets kwaats over zeggen, misschien zagen ze aan mijn ogen, het verdriet, het verdiet die zij op een andere manier ook kende herkende in die blauwe aap, die kroeg vlak naast de gebommedeerde huizen, ooit een parkeerplaats, ooit de Kelders van Pa van Boxtel en omgetovert tot een hoekig wooncomplex waar ik voor straf nog niet wil wonen, vele andere wel en dit is maar goed ook anders kregen we nieuwe krottenwijken, dan zouden de Duitsers opnieuw moeten komen, zodat de Engelse of Amerikanen het per ongeluk of express van uit angst de bommen op los gooide en maakte dat ze weg kwamen, snel terug naar huis, wat ik eigenlijk ook zou willen, maar ik heb geen huis, ik heb geen moeder, ik heb geen vader, gelukkig heb ik een zus, ook al woont ze heel ver weg, maar ik heb iets, buiten blauwe ogen en dat is waterman ben en mijn zusje net niet, daarom is zij veel liever als ik, doorom leef ik nog, als het aan die andere gelegen had was ik dood, dood als een pier, zo dood als mijn moeder, zo dood als mijn vader nu en mijn stief vader en deze laaste, waarom gaven ze hem niet meer tijd? dat is wat hij verdiende als je mij toch hebt, met al die ellende en daar voor wil zorgen, die man had gewoon gelijk met mij dood moeten gaan, wat hadden we gelachen, want ik weet nog dat ik zijn hand pakte, de weg werd wart stijler en hij had moeite met het lopen en ik zei, pa geef je hand, zo als jij eens gaf jouw handen aan mij en we hebben gelachen, gevoelens, sprongen uit onze ogen, handen die elkaar grepen, begrepen
Bladzijde laaste
Bladzijde laaste
Lang geleden werd ik gevraagt, op te passen op dronken jongeren, het was daar koud, sneeuw tot aan je knieen en drank, dat moest je wel drinken wilde je niet bevriezen, daar heb ik wel gelachen en soms moest je even harder op treden, dat was een mooie tijd enkele heb ik bespaart voor de vriesdood en verder veel gesproken, mensen hebben een hoop te vertellen en ik bezit een goed oor, soms zou je zeggen dat ik eenenal oor ben, wat ik daar op zo,n stoel of kruk zet, dan is het of de rest van mijn lichaam oplost in de ruimte, mijn oor verstaat veel talen, veel meer als dat ik kan schrijven, zo vorm ik me dan een beeld van een persoon, dan is het of ik aan het schilderen ben een beeld wat niet af is, misschien wel vertekend, wat doet het er ook toe, belangrijk is dat oor voor een ander en mensen kunnen mij veel vertellen, zonder dat ik schrik, ik heb snel door, waar de schoen wringt en zo komt dan een gesprek tot stand, mijn mond komt tevoorschijn uit het niets zo worden oor en mond op die stoel of kruk een gewillig luisteraar en prater kan ik me klein maken waardoor de ander kans krijgt tezijn, wie die was voor die dronken werd of zou worden en als ik dan luister drink ik mee, want soms moeten mijn oren zoveel opvangen, dat mijn mond droog word en dat gaapende keelgat daar achter schreeuwt om vocht, dat is het moment dat mijn geest er bij komt, dit moet wel, want een oor, neus en keelgat alleen kunnen het niet meer aan, ik heb versterking nodig en zo zit dan iemand naast me die mens word, om me heen word ondanks de harde muziek alles milder de bar word als een huiskamer als of je thuis zit bij de openhaard of je in een leunstoel zit, tekijken naar de vlammen die dansen op de maat van het gesprek, mijn mond verdwijnt om de hoek, die is minder gewenst en zo dwalen mijn gedachten weg, dan kom ik in andere huizen, levens gebeurtenissen, verhalen, zo anders.
Kennet
Kennet
Dit is wat jullie zien al is het anders om, waar zijn jullie, al die mensen die ik ooit heb ontmoet, waar zijn jullie geesten, waar zijn zij, terwijl ik hier ben, verscholen, achter de salades, waar ik ploeg en zwoeg, waar zijn jullie woorden en gezang, waar zijn jullie gezichten die op mijn netvleis liggen als de dag van gisteren, toen woorden nog waren zo al ze waren, ze uit gesproken werden en mijn oren ze hoorden al was het van ver en moest ik soms beter luisteren, tot dat het tot me door drong tot ik begreep waar het over ging tot ik gegreep je lijden, dat doordrong, wat je miste, zo als ik miste het geheel, zo als een man diep weg gedoken in zijn jas, op dat niemand kon zien zien zijn waren ik, verborgn in het land van niemand, waar geen mes in de grondstak, nog beefde, na trilde, als muziek, die ik nu hoor, terwijl ik moe ben en eigenlijk naar bed moet, slapen ga, je gemis maakt me wakker en doet me deken aan toen, toen we nog konden lachen, toen tranen werden vervangen, we ons verdoofde, tot de morgen aanbrak en we brak waren, zo brak, dat alles om ons heen in het niets verdween, terwijl we kropen, als we het konden maken tot de volgende bocht, als we over de drempel kwamen, als niemand het hoorde, nog hond, nog kat, nog parkiet en we in de lakens konden kruipen, langzaam weg kropen om te vergeten wat was, wat was ge beurt wat was geweest en niet hoeven denken aan toen.
Honky
Honky
Ja dat ben ik, van wat eens was, zo dat jullie een beeld krijgen wat door mijn hoofd is gegaan en nog steeds gaat, een hoofd wat niet zal stoppen voor zijn tijd rijp is, want er is zoveel om over na tedenken, teverzinnen, te scheppen, doen, te ontmoeten, praten, blij zijn verdriet verwerken, luisteren naar anderen en daar ben ik dan trots op om deel uit temogen maken zo als mijn pleegvader me vertelde, de eer deel uit temogen maken van een ieders leven, waar niemand weet wanneer de laaste ademtocht zal wezen, dit schrijf ik met een glas of drie wijn en vergeet die glazen daarvoor, natuurlijk met muziek, als de engelen door mijn hele lichaam gaan, als of al die armen van mijn vrienden om me heen slaan, als of we een kluwe wol zijn, als of nog voor geweven we aan dat schaap zitten, nog voor het geschoren werd, die warmte toen ze nog in die schaapskooi waren op gesloten, waar stro en stront de warme lucht versprijde in de neus van de herder, die daar zo aan gewent was, zo als ik aan jullie, aan jullie warmte zo dat het bijna normaal werd, maar nee ik begrijp elke dag weer dat wonder dat ik met jullie mag delen, ook al ben ik niet altijd geschoren en prik ik, maar jullie omhelsing beseft me dat ik leef en met mij mijn gezin en die werld daarom heen, die wereld die eerst zo tegen me was, als of ik er iets aan kon doen, als of het mijn schuld was als of ik die oorlog was begonnen, als of ik die wapens uit gevonden had als of ik moest bezitten als of ik moest over heersen, de baas zijn in een land waar je bij voorbaad niets te zoeken had, in een wereld waar iedereen, gewoon naar huis moet gaan, zijn eigenhuis moet gaan schoon maken, vrede maken met zijn vrouw en kinderen en buren, feest in de straat, feest in het dorp en steden, landen en wereld.


























