O wat mooi toch niet

022 (2)

 

 

 

Terwijl de slaap onderbroken word, mijn geweten knaagt, mijn gedachten belanden bij al die soldaten, die nooit betaald zijn, ontslagen, geslagen, gebogen, gevangen gezet en ik het boek lees Geografie van goed en kwaad van Andreas Kinneging, natuurlijk tweedehands, een geschenk van mijn aankoop in mijn onderzoek, dan denk ik terug aan mijn tijd, die ik door gebracht in het land van Goethe, waar ik boeken versleet of het oude sloffen waren, waar mijn zevenmijlslaarzen hun weg niet konden vinden en zo mijn vingers Japanse houtsnede vormden, zo dat wat ik las een plaats kon krijgen en de klassieke muziek me het gevoel van vrijheid gaven, wat net zo in bedrog was, als de wekelijkheid, van het bestaan zelf, dan denk ik aan Westerling, zijn angst voor het communisme, een angst verweven met een legende uit Indonesië, terwijl het de Islam is geworden, de puntdak van een moskee, hoe raar kan de geschiedenis zijn verloop hebben, Soekarno heult met de vijand, hij word met een kris op de keel gedwongen tot staatshoofd, uit het boek van Westerling en rooft samen met leger, rebellen en gelovigen, de bezittingen, land, huizen van de Indo en alles wat er omheen hangt uit! Vluchten dus en wat achterbleef was een slecht lot bedeeld, daardoor kunnen we nu, met naast ons een borrelhapje, TV kijken en zien hoe we deze stakkers helpen, terwijl op de TV overlevenden Jappenkampen praten, zonder woeden in hun stem, over wat hen is overkomen, terwijl de beelden daaromheen anders spreken, huizen hogen vlammen, prikkeldraad, honger moord en doodslag, misschien uit schaamte, dit alles overleefd te hebben of te jong waren en het zodoende, nu, na kunnen vertellen, die gelatenheid, die vergeten moest worden, als of ze nooit plaats hebben gehad, zo als niets! misplaats was toen? Het was de orde van de dag, terwijl deze geschiedenis nu! Eindelijk zijn aandacht krijgt en jammer genoeg voor zovelen te laat, vooral niet vergeten zij! die daar onder de grond liggen, vertrapt of weg gedonderd, voor de haaien, zo als Alfred Birney omschrijft, of verslonden door een krokodil, waterput, granaat of bom, laat staan die verdwenen in de jungle, waar nu de natuur weelderig groeit op wat eens een mens was en door mensen handen om zeep geholpen werd, in de drang naar vrijheid, waar geen prijs te hoog was en dat al! om een ras, Indo, Chinees, Molukker, oude slaven en de vergeten krijger, terwijl het volk vergat waar ze zelf uit ontstaan was.
Zo kwam ik in Den Haag, de Indische buurt, reed langs het monument, richting Scheveningen, door een stad die ik bijna vijftig jaar niet meer gezien had, van die kant uit, dus weinig aanknopings- punten, tot je de vuurtoren ziet, verder ben ik niet gekomen, dan het halen van twee broodjes haring met ui, overheerlijk, op de terugweg, weer alles van uit een andere hoek bekeken, wat een drukte, die nog meer toeneemt als je de stad uit wilt, als of iedereen weg wil? maar dat is niet zo! Dat beeld ik me maar in, want aan de overkant van de weg, wringen auto’s zich richting centrum, nadat ze aan het tunnel effect zijn ontsnapt, wat een nachtlandschap teweeg brengt, met kunstmatige verlichting, door al die regen en soms even droog, heb ik moeders kinderen naar school zien brengen, mensen op de fiets naar hun werk of lopend, met de tram, mensen die honden uit lieten, gemeente werkers, bedrijven en zo kwam ik in een hofje, waar de muren, stoeptegels groen uit geslagen waren, zelfs de bomen en struiken, waar nu over enkele dagen groen blad aan zal komen en dat naakte gezicht zal bedekken, zo als ik het eens waarnam en zo kwam ik aan in het zuiden, waar je een berg op rijd, slinger wegen en boven aan gekomen een rode gloed, die ik voor het eerst zie! Want ze hebben daar windmolens neer gezet, die het hele mooie landschap daar en overal verpesten, buiten de herrie die ze maken en andere invloeden die ze op de natuur hebben, al word dit ontkent, dat je je kunt verbazen dat ze er staan, ondanks het protest van de bevolking, waar jaren wit gekalkte kreten op de wegen waren gekalkt, borden op gehangen, ze er nu staan en niet meer zullen wijken en elke foto die je nu van dat over gebleven landschap wilt maken, woord ontsiert, tot in de wijde omtrek, terwijl in het dal beneden de wind veel windiger word, zodat huizen, bomen, niet al te sterk bezwijken, in een landschap wat altijd al last had van stevige winden, van daar die molens.

Een gedachte over “O wat mooi toch niet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s